Organizations
Keywords
There are no Keywords that match this search
Danish Keywords
There are no Danish Keywords that match this search
Dutch Keywords
Show More Dutch Keywords
German Keywords
There are no German Keywords that match this search
Icelandic Keywords
There are no Icelandic Keywords that match this search
Place Mentioned
There are no Place Mentioned that match this search
Place of Narration
Narrator Gender
There are no Narrator Gender that match this search
Monsieur Valander kreeg op een wagen met iemant soo hooge woorden, dat se beyde van de wagen aftraden en Valander seyde: 'Wat seg je nu?' 'Ick seg', seyde d'ander, 'dat ghij een schelm sijt.' 'En ick seg', seyde Valander, 'dat ghij een eerlijck man sijt en dat wij beyde geloogen hebben.'
De commys Jan Spronssen complimenteerde eens sekere mevrouw die vrij wat hooghartig was. Naedat hij haer schoonheyt. welleventheyt, goedaerdicheyt (hoewel sij er t' eenemael van was gepriveert) hadde uytgedruckt, seyde hij ten lesten dat sij de volmaeckste vrouw was die hij oyt gesien hadde. Sij (om hem ontslaegen te wesen) antwoorde kort: 'Mijnheer, dat...
Den advocaet Vincentius Pothoven, t' Amsterdam over tafel sittende, seyde yets met een statige trony, dat al seer waerschijnelijck was, maer alsoo hij half root wierdt, seyde een ander: 'Dat geloof ick niet, Pothoven, want ghij werdt daer selfs roodt om.' R. 'Dat 's een teecken dat hij de waerheyt seyt.' Weynig daernae gaf hij joncker Jan van Treslong een...
Seker capiteyn op een jacht van de Admiraliteyt, bracht 116 gulden in rekening voor eenige kleyne onkosten. Maer als hij voor calefaeten, balcken, wieltrossen en haecken niet meer kost rekenen in alles als 70 gulden. soo seyde hij: 'Die andere 46 gulden zijn voor touwwerck.' R. 'Ghij segt wel, capiteyn. sooveel touw te seggen. 'k Sag het anders niet vast...
Een kale joncker, pap gegeten hebbende, roemde van de patrijsen die hij gegeten hadt, en dat er noch beentjes daervan tusschen sijn tanden saeten. 'Ick geloof 't wel', seyde een ander (siende een kladde pap op sijn bef leggen), 'want ick sie de pluymen noch op u bef hangen.'
Iemant seyde dat men sijn secreten aen niemant behoorde te vertrouwen als aen een leugenaer, want als se die al voort seydt, soo en gelooft men hem doch niet.
Den Haag
Iemant hadt voor een gewoonte als hij knegts aennam, dat hij tegen haer seyde: 'Gij sult in mijn huys geen water drincken, dan als gij wilt' (maer hij gaf haer noyt anders).
Gerrit Gietleugen sprack eens van mijn goeden vrient quaet. R. 'Dat liegt gij, ick seg dat het een eerlijck man is.' R. 'Weet ghij wel dat gij voor een schelm spreeckt?' R. 'Souw ick dat niet weten, ick sie u immers wel staen.'
'Je bent wel een eerlijck man, Jozephaes, maerdie 43 f. hebt ghij mij met valsche steenen afgewonnen.' R. 'Dat liegje.' R. 'Dat 's waer, maer niet vorder als het eerste lidt van mijn reden aengaet.'
Doe de vrede gesloten was, souden de catholycken voir de laeste mael in seecker dorp preecken en dat des oghtens alsoo de geusen des achtermiddags possessie nemen souden. De paep, op stoel komende, seyde onder anderen: 'Gelievekens, tot noch toe hebbe ick u niet anders als de waere salichmaeckende leer gepredict. Lieg ick het, soo moet mij de duyvel...
Pasquier vertelde van alle wonderlijcke dingen in Oostindiën voorgevallen, onder anderen dat er eens 3 in 't verkeerbordt speelden, daer bijgeval een sparrebout in quam sitten, dien beyde de steenen (wijl den eenen hem niet gesien hebbende, in sijn goy was) op sijn vleugels quamen te vallen daer hij mede heen vloog. 'Wat gruwclijcker leugen is dat', sey...
Sara, moy en jong zijnde, wiert van Nicolaes dickwels besogt en soo half versogt, maer bijna op sulck fatsoen dat hij eer scheen met haer te mallen als oprecht. Sij, arg zijnde en dit moede werdende, ging na een notaris, die sij wist dat een goed vrient van Nicolaes was, en seyde dat sij geresolveert was haer testament te maecken, alsoo sij togh...
De paus schreef aen den keyser: 'Onsen lieven soon Frederick.' Als 's keysers nar de brief sag, seyde [hij]: 'Dat is gelogen als een schelm. Mijn heer is geen papensoon. Ick heb sijn vader en moeder wel gekent, dat waeren byde eerlijcke luyden.'
Twee bedelaers kregen harde woorden tegens malkander. Op 't lest quam er uyt: 'Ghij liegt'. De ander hief zijn kruck op, geduyrig over dat woord dreygende, Knapsack ontkende en Krombeen bleef erbij en sarde Knapsack soolang dat hij eyndelijck in opgeblaesen toorn uytbarste: 'Ghij liegt het dat ick het geseyt hebbe.' R. 'Nu is 't wel, dat ik oock wist dat...
Monsieur Gaulart speelde met sijn hond en seyde: 'Nu manneken, sit op, wij sullen dan t' avond te gast gaen.' Sijn cousyn Barbesale daerbij staende, vroeg: 'Waer gaet gij dan te gast, cousyn? R. 'Wat d[uyvel] roert het u. Nergens, kost gij uw backhuijs niet toehouden, ik socht den hont wat wijs te maecken.'
Een gierige paep hadde lang belooft sijn gemest varcken te slachten, maer altoos bang sijnde voor dat wegsenden van de beulingen, ging met de koster te rade. R. 'Slacht het bij nacht en segt dat het varcken gestoolen is.' Hij dede soo, maer de koster om de paep niet leugenachtig te maecken, stal het varcken suyver weg. De paep quam 's ochtens vroeg al bij...
Den Haag
De commys Jan Spronssen complimenteerde eens seeker mevrouw, die vrij wat hooghartig was. Nadat hij haere schoonheyt, welleventheyt, goetaerdicheyt (hoewel sij daer t' eenemael was van gepriveert) hadde uytgedruckt, seyde hij ten lesten dat sij de volmaeckste vrouw was, die hij oyt gesien hadde. Sij, om van hem ontslagen te sijn, antwoorde kort:...
Een oudt besje nae Den Haag willende m eenig goet, 'tgeen sij van nooden hadt te coopen, dewijl 't daer kermis was en dienvolgens in de schuyt veel gelt bij haer hebbende, gebeurde het dan een gauwdief, die naest haer sijde sat, daer gadinge in maeckte. Hij maeckt een familiaer praetjen met haer, noemde haer altijt bestemoer, soodat de lieden meenden het...
Een vent, die doodkranck lag, wierdt elck oogenblick van een bagijn aengeport om het heylig avondmael te ontfangen, maer hij wilde daer gansch niet toe verstaen, omdat hij dan waende eerder te sullen moeten sterven, jae, wierd er soo grijnig over, dat hij seyde: 'Soo gij mij daer meer van spreeckt, soo sal ick yewers anders mij laeten brengen daer mij...
Bernard was een grooten dronckaert en hij loog of hij song. 'Het geeft mij wonder', seyde Steijn,' dat hij sulcken vuylen vent blijft, want het beste van de weereldt (wijn) neemt hij in en het quaedste lapt hij weer uyt (leugen).'
