Organizations
Keywords

There are no Keywords that match this search

Danish Keywords

There are no Danish Keywords that match this search

Dutch Keywords
Show More Dutch Keywords
German Keywords

There are no German Keywords that match this search

Icelandic Keywords

There are no Icelandic Keywords that match this search

Place Mentioned

There are no Place Mentioned that match this search

Place of Narration
Narrator Gender

There are no Narrator Gender that match this search

close
28 datasets found
Dutch Keywords: lachen Place of Narration: Den Haag
Dr. Juris Fredericus Helvetius sag een vent, die sijn hoet afgewayt was, met langsame treden daerna toe gaen, of het hem niet aen en gingh. Terstont wierp hij sijn eygen hoet in ons huys en liep na de afgewayde. De luyaert, dit siende, trock mede aen het lopen, maer schoot te kort. Doe rees er een hevig dispuyt over den hoed. De omstanders lachten om de...
Een quacksalver stont tot Amsterdam op de Nieuwemarckt grouwelijck en swetste van sijn ervarentheyt en wonderlijcke reysen. 'Ick hebbe', seyde hij, 'in China een toorn gesien van louter glas, die in eene blaes geblaesen was.' Els elck ijsselijck lacchte, sey er een bootsgesel: 'het is waer. Ick hebbe er wel 3 maenden op gevangen geseten.' 'Hoe raekte gij...
Den advocaet Vincentius Pothoven, t' Amsterdam over tafel sittende, seyde yets met een statige trony, dat al seer waerschijnelijck was, maer alsoo hij half root wierdt, seyde een ander: 'Dat geloof ick niet, Pothoven, want ghij werdt daer selfs roodt om.' R. 'Dat 's een teecken dat hij de waerheyt seyt.' Weynig daernae gaf hij joncker Jan van Treslong een...
Nicodemus, in geselschap van juffrouwen in goet humeur raeckende, begon soo naeuwen broeck te krijgen dat er de geck bloots uyt quam. Als het geselschap sich te barsten meende te lachen, quam Joost bij hem en waerschoude hem. 'Is 't ander niet', seyde hij, sijn lummel vast thuys haelende, 'mag nu een eerlijck man niet langer in sijn eygen deur staen?'
lck hadde eenige agaetsteentjes, daer boompjes in waeren, vertoont. Jean Fauconnier, procureur, seyde: 'Die zijn seer natuyrlijck, gedenckt er mij bij, die boompjes sullen noch uyt de steentjes uytgroeyen.' Wij begosten altemael le lacchen. 'Het is warachtig soo, niet dat er bladeren bovenuyt den steen sullen spruyten, maer datter naedat gij se 10 jaeren...
Silus gaf getuygenis tegen Piso die beschuldigt wierde. Crassus, die de man kende vroeg hem: 'De man is misschien quaedt geweest doe hij dat sprack?' R. 'Dat souw wel kunnen wesen.' R. 'Het souw oock wel kunnen wesen dat ghij het qualijck verstaen hadde?' R. "t Is oock soo.' R. "t Souw oock kunnen zijn dat ghij yets soudt u inbeelden gehoort te hebben dat...
Arend was op de galey gebannen, maer hij lacchte daerom. 'Jae', seyden de andere, 'wist ghij wat het was op de galey te sitten, ghij soudt daer niet om lachen.' Maer hij kreunde sich des niet. Doe hij er nu nae toegebragt wierdt, lacchte hij noch al. Die met hem geketent waeren seyden: 'Wat duyvel, lacht ghij erom? Ghij zijt immers van geen beter conditie...
Een hont met een kint in de keucken sijnde, alwaer een ribbenstuck overhong, de hont siende 't stuck een weynich uyt 't water kijcken en daerna happende, verbrande sich en liet grimmende sijn tanden sien, waerop 't onnosel kint dese woorden uytschoot: 'Ja, soo gij dief als gij sijt, ick sal het mijn moederken seggen dat gij 't vleesch uytte pot wilt...
Iemant sullende een oratie doen voor eenige princen en heeren, liet er een lustige vliegen, waerover sij begonnen te lachen. Doch hij sich daeraen niet eens steurende, keerde sijn hooft om, seggende: 'Wilt gij spreken, soo moet ik swijgen?'
Sijmon, een grooten vlegel, quam een geleert man besoecken, die hem niet kost quijt worden. Eyndelijck nam de goede man sijn mantel en hielt sig of hij uyt wilde gaen. Desen plompen rekel seyde: 'Ik hebben niet veel te doen, ik sal mijnheer wel geselschap houden.' R. 'Doet dat niet, de luyden die ons sagen, souden ons uytlaggen.' R. 'Hoe soo?' R. 'Omdat...
Een die geweldich heet warmoes at, liet er een vliegen, waerover d'andere lachten, maer hij seyde: 'Lacht so seer niet, vrienden, de scheet is wijser als gij meent, want uyt vreese van verbrant te worden liep hij deur.'
De heer Huybert Roseboom, requestmeester van Sijn Hoogheyt, domine Hendrick de Roij en doctor Petrus August Romf, aten in het leger voor Naerden met malkander. Sij kregen anders niet als een koude kapoen met haer driën. De Roij: 'Is dat nu niet wel, men souw er een bruyloft om versuymen: natura paucis contenta. Siet eens hoe vriendelijck dattet er uytsiet...
Daer was een man die in 40 jaeren niet hadt in de kerck geweest, in welcke tijt de manier van met het sachkje om te gaen opgekomen was. Eens belust sijnde om in de kerck te gaen, nam sijn 2 dochters mede. Het sackje nu bij hem komende, geeft hem sijn dochter een schelling. De oude man meende dat hij gelt daer uytnemen most, seyde: 'Ick danck je seer...
Jacob in Oost-Indiën gekoomen zijnde, wierdt met al sijn muggesifterijen en bedillen leelijck uytgelacchcn. R. 'Ick verstae mij bij mijn ziel den handel niet, ick meen nae desen alles te laeten loopen soo als 't wil en mij te houden of ick blind was.' R. 'Ghij sult seer wel doen, mijnheer, want ghij sult altoos bevinden dat de glaseslijpers een sullen...
Tot Straesborg sijn kleyne vischkens, die men voor een delicatesse opset. Een knecht, met sijn heer te tafel sittende, nam er de knegt 2 à 300 t' effens. De heer, siende dat de gasten lachten om de graegheyt van de knecht, seyde: 'Hans, het sijn kleyne vischkens.' 'Dat sie ick wel', seyde de knegt, 'daerom neem ick er soveel t' effens.'
Monsieur Daniël de Lange, tot Amsterdam in geselschap zijnde, raeckte wat aen de vrolijcke kant. Als hij sommige verscheyde reysen dede lacchen, seyde hij: 'Qu'on se raille de moy tant qu'on veut. Je suis sage et fou quand je veu.' 'Et moy quand je puis', antwoorde monsieur.
De prins van Walles was met den coning van Spagniën in een comedie, daer een siecke geus en een dootkranck catholyck wierden ingedragen. De geus stervende, quam er een toegemaeckte duyvel, die voer met hem na beneden, en een toegemaeckten engel die met de catholyck voer in de lugt, doch door onvoorsichticheyt vielen sij beyde van boven neer, soodat de...
Apero van der Houven wilde eenige Friesche edelluy tracteren. Hij noode 3 à 4 braeve drinckers tot sijn secondes bij, soodat sij in alles te samen 12 persoonen sterck waren en leyde daervoor een vaetje van 16 stoop in, dat hij op de kamer daer hij tracteerde liet leggen, daer de Friesen schrickelijck om lachten. 'Wat', sey er een uyt den hoop, 'ick geloof...
Op een maaltijt wiert een silvere lepel gestolen, waerover het heele geselschap heel moeyelijck was. Doch een van 't geselschap seyde: 'Laet ons altemael onse hoofden eens onder de tafel steken', 'twelck hij selfs mede dede. Doen dit nu gedaen was, vraegde hij: 'Heb je altemael jou hoofden onder tafel?' Sij seyden: 'Ja.' 'Die de lepel heeft mee?', seyde...
Alexander Farnese, prins van Parma, ging eens seker dolhuys besien, alwaer hij een out statig man in den thuyn, met een boeck in sijn hant, seer besig vont in het ondersoecken van de kruyden. R. 'Hoe hebt gij het soo druk, patroon?' R. 'Ick ben, mijnheer, den doctor van dese ellendige uytsinnige patienten etc.' Na lange discoursen, daer Farnese soo groten...