Organizations
Keywords

There are no Keywords that match this search

Danish Keywords

There are no Danish Keywords that match this search

Dutch Keywords
Show More Dutch Keywords
German Keywords

There are no German Keywords that match this search

Icelandic Keywords

There are no Icelandic Keywords that match this search

Place Mentioned

There are no Place Mentioned that match this search

Place of Narration
Narrator Gender

There are no Narrator Gender that match this search

close
33 datasets found
Dutch Keywords: gezegde Organizations: Meertens Institute Place of Narration: Den Haag
Een windbuyl van een onverdraegelijck humeur wierd yewers voor command na toegesonden, doch in een jaer weder op ontbooden. R. 'Dat is seker een korte vreugt geweest?' R. 'Dat doet dat hij 't daer soo dapper van eyeren heeft gemaeckt en gij weet immers wel dat al de gerechten, daer men veel eyeren in doet, kort vallen.'
Iemant wiert berispt, omdat hij sich selven wat teveel prees. 'Mij dunckt', sey hij, 'dat ick wel doe, want goede waer prijst altijt sich selven.'
Iemant, gevraecht sijnde wat onderscheyt dat er was tusschen wijsen en sotten, antwoorde: 'De wijsen hebben haere tonge in haer hart, en de sotten hebben haer hart op haer tonge.'
De meeste Juffrouwen verliezen met zig te laaten kennen, hetgeen ze winnen met zig te laaten zien.
Een knegt hadde gaerne een nieuw kleet van sijn heer gehad. Seyde: 'Joncker, ick droomde te nagt dat gij mij een nieuw kleed vereerde.' R. 'Ey, al de gecken verlaeten sig op droomen, de wijse luy weten wel beter.'
Seecker edelman die heel vroom geleeft hadde, quam schielijck te sterven. Een religieux, die de soon quam troosten, seyde: 'Mijnheer, Godt heeft met u vader gedaen als goede vrienden plegen, die malkanderen sonder tevooren te laeten weeten, 's middags soomaer op de portie mede neemen.'
' 't Is vreemd dat die keerel, daer hij sulken inkomen heeft, altoos even kael blijft.' 'Het doet mij geen wonder', seyde de heer van Zuylichem daerop, 'soo grooten staet als hij voert. Sulke luyden konnen niet opkomen, sij slachten de weerhaen die altijt in de windt leeft, omdat sijn staert grooter is als sijn heele lijf.'
Godin vreijde juffrou Outshoorn, sij die weynig anders tot sijn laste hadde als dat hij manck ging, dat haer juyst seer tegenstont. Eyndelijck haer versoeckende, kreeg van haer tot antwoort: 'Mijnheer, uw geselschap is mij aengenaem, maer gij moest op sulcken voet niet bij mij koomen.'
De getrouwheit van een knegt en de wijsheit eener vrouwe zijn twee deugden, die men noyt moet ter toets brengen.
Een priester dede grooten arbeyt om een Moor te bekeeren, maer siende dat al sijn moeyten vergeefs waeren, seyde hij: 'Mij dunckt, mijn woorden u 't één oor in en 't ander weer uyt gaen.' 'Sij doen niet', seyde de Moor, 'want sij comen daer niet eens in.'
Twee, drie Hollandse wittebrootskinderen, quaemen in Engeland een bal sien, dat de koning gaf. Colonel Morgans dogter (die in Holland geboren was en daer getrout aen ...) wiert van een edelman te bal geleyd. Een van onse quanten, haer schoonheyt siende, seyde in 't Duyts aen sijn kameraets, soo hard dat sij het hoorde: 'Ick gaf wel de helft van mijn goedt...
Een dief strengelijck gegeselt sijnde, wilde weder terstont van het schavot gaen, waerover de beul hem tegenhielt, seggende: 'Gij moet de heeren eerst bedancken voor de genadige sententie.' ' 't En is geen danckens weert', seyde de dief.
Iemant seyde tegen een ander: 'Dit scheermes heb ick flus gekogt, 't is soo scherp als een vlijm.' 'Laet ick eens sien', seyde d'ander, en het besoeckende seyde: 'Mij dunckt seecker dat het heel bot is.' De eygenaer nam het wederom, en het haer wat van de hant schrappende, seyde: 'Sie daer, is dat bot gelijck gij segt? Maer gij scheert er de geck mee.'...
Als een opgeblasen botterick sich beroemde dat hem een wijs man geweecken hadde, soo seyde een ander: 'Hij heeft wel gedaen, want men wijckt geen varckens, omdat se één niet souden vuyl maecken.'
Een edelman gevraegt sijnde van een Jesuit hoe 't quam dat de keysers altijt soowel geneust waeren, seyde: 'Omdat se sich van u, en uws gelijcken, met toe oogen laten snuyten.'
Als men een ding quaelijck wil duyden, schieten alle redenen tekort. Jacob Wevelichoven, raedsheer van Sijn Hoocheyt, een moeyelijcke vent, sond 's ogtens ten acht uyren sijn knegt bij mr. De Buisoon om een Franse historie te leenen. De jonge komt wederom en brengt hem, onwetende, een ander boeckje, sooals sij hem daer gelangt hadden. R. 'Wel, seyden sij...
De schout van Schevering, Dirck van der Hoeck, kreeg gasten tot sijnent. Sij eysschten een pints roomer van sijn beste wijn. Hij bragt se self boven. R. 'Wel nu, heer schout, proeft uw eygen wijn eens.' R. 'Dat sal ick wel doen, dit is dan de wellekomst van de vrienden.' Daer met soop hij het schoon uyt. R. 'Wel, wat duyvel is dat te seggen.' R. 'Het...
Een out man berispt werdende dat hij soo een jong meysken getrouwt hadt, soo seyde hij: 'Men steeckt met een kleyn dor houtje wel een groot vier aen.'
Als Melanthon hem verwonderde dat een slegt predicant sooveel kinderen hadde, antwoorde hij hem of hij niet wist dat de slechste timmerluy de meeste spaenders maeckten.
Van een vies mensch die geen katten mocht lijden, seyde een ander: 'Hij haet de katten, omdat hij sooveel muysenesten in 't hooft heeft.'