Organizations
Keywords

There are no Keywords that match this search

Danish Keywords

There are no Danish Keywords that match this search

Dutch Keywords
Show More Dutch Keywords
German Keywords

There are no German Keywords that match this search

Icelandic Keywords

There are no Icelandic Keywords that match this search

Place Mentioned

There are no Place Mentioned that match this search

Place of Narration
Narrator Gender

There are no Narrator Gender that match this search

close
36 datasets found
Dutch Keywords: geslachtsdeel Organizations: Meertens Institute Place of Narration: Den Haag
Doctor Sweitser, getrout sijnde met juffrou Pels, seyde: 'Ick meende waerachtig dat mijn pels nieuw was en noch vont ick er een gat in.'
Een man klaegde dat sijn wijfs kous te ruym was. Een ander seyde: 'Nayt se in de middel toe, dan hebt gij een sondaegsche ende een werckendaegse.'
Comelis Cuchlinus, ontfanger van Den Bosch, woonde in sijn jonge jaeren met sijn moeder in't Falij-bagijnhof tot Leyden. Soo als hij sijn meyt eens ..., wiert hij van één die uyt de statsbibliotheek in 't venster lagh, verspiet, die het aen de oude vrouwe ten argsten overdroeg. Als Cuchlinus hem dit eens heftig verweet, seyde hij: 'Jouw verbruyde geck,...
Doe de koning Hendrick 4 de eerste nacht bij La Belle Gabrielle de Estree sliep, vonden sij sich allebey wat in haer rekening bedroogen. R. 'Mevrouw, gij zijt tamelijcke ruym gelogeert.' R.'Ick dacht niet, sire, dat gij met soo weynig treyn soudt gekomen sijn.'
Als men in een herberg van alderhande kluchtige voorvallen ende niewicheden sprack over de maeltijt, seyder één: 'Jaewel, gisteren quam er een bruyt langs de Haerlemmerdijck en die wierde op dienselven tijt in 't gat gesteecken.' Des waerts dochter, die praetjes hoorende, droop stillekens van taefel. 'Wel', seyde de hospes, 'mijnheer, gij hadt dat seker,...
Een juffrou, haer serviteurs broeck vol linten siende, seyde: 'Mij dunckt, gij hebt een heele Fransche cramerswinckel.' 'Ja, mejuffer', antwoorde hij, 'is er oock iets onder, 't is tot uwen dienst.'
Capiteyn Guichery op een bal zijnde, versogt seecker juffrou van sijn goede kennis om met hem te danssen, maer hij refuys tot 3 à 4 mael toe krijgende, versogt, om niemant aenstoot te geven, een ander soet jonge juffertje, 'twelck de plaets soolang suppleerde. Na het danssen addresseerde hij sich weer aen sijn weygerige matres, sich beklaegende over haere...
Nicodemus, in geselschap van juffrouwen in goet humeur raeckende, begon soo naeuwen broeck te krijgen dat er de geck bloots uyt quam. Als het geselschap sich te barsten meende te lachen, quam Joost bij hem en waerschoude hem. 'Is 't ander niet', seyde hij, sijn lummel vast thuys haelende, 'mag nu een eerlijck man niet langer in sijn eygen deur staen?'
Iemant die een moy meysjen bestruyft hadde, hoorde dapper de grammatica als men hem seyde: 'Hoe dorst gij het bestaen, dagt gij niet dat het eens soude haperen?' R. 'Het is alsser staet in I. 13 D. ad leg. Aquil.: "Nemo est dominus membrorum suorum".'
Een boer, met sijn huysvrouw op de wagen sittende, wiert van een steepol gevraecht of die hen die op sijn waegen sat, te coop was. 'Ja', seyde de boer, 'voor 30 tonnen gouts.' R. 'Schaemt u, huysman, dat gij u goedt soo hoog hout.' R. 'Ick doe seecker niet, want ik heb er flus noch een schagt uytgetrocken die ik voor geen hondertduysent gulden wil geven.'
Een vent die een schoone quaedruypel hadde overgegaert, wiert van sijn oom dapper overgehaelt. R. 'Wel oom, heb ick quaed gedaen, daer lij ick selfs voor en heeft dat lidt gesondigt, dat doet nu niet als nacht en dag sijn sonden beschreyen.'
De baljouw Barlees sagh op straet op een schutting schrickelijke enorme messen geschildert. Hij bleef vlack stilstaen en seyde, nae een lange verwondering: 'De duyvel hael de jongen die sulcke dingen maeckt, men behoorde hem te geesselen, interest reip., want de meysjens beloven sich sulcke en als wij met het vierde part soo breet uytkomen, soo beelden...
De heer Cornelis van Teresteijn, burgemeester van Dort, hadde een Ariaen Roele, dat een vleyshouwer en een visverkooper was en al moy goet hadde, gaern uytgetrouwt aen May Faes, een groenwijf, die er mee al vrij dick in sat, soo van lichaem als van geldt. Hij ging er na toe, maer kreeg slechten troost. Arie quam om bescheyt bij Teresteijn. R. 'Sij sprack:...
Doe de heer ... het vyer in sijn been hadde gekregen, gebruyckte hij doctor Piso en meester Job van Meeckeren (dat allebeyde twee liefhebbers zijn). Doe het nu wat aen de betere handt was, vraegde juffer Johanna van der Houven den Juffer..., die daervandaen quam: 'Hoe is het nu al met de patient?' R. 'De doctor ende de barbier seyden: het sal nu wel gaen,...
Seecker procureur tot Mechelen hadde een vrouw die gaerne somtijts van haer man aengesproocken was. Eens dat de man merckte dat sij iets sonder spreecken van hem versogt, soo streeck hij, terwijl sij schoon lag, sijn vinger daer eens over, en roock eens. R. 'Wat duyvel, het stinckt.' R.'Het stinckt warachtig niet.' R.'Wel, dan is 't goet. Stinckt het...
Marc Antonius Colonna, viceroy van Siciliën, wandelende in een schonen thuyn, daer hij al de goden van de groote rievieren konstig uytgehouwen sag. Sij vertoonden sig altemael naeckt, uytgenomen de Tagus, die sijn schamelheyt, met een vijgeblad bedeckt was. De Spanjaerds, die in sijn suite waeren, presen hierover de zeedigheyt van haere natie, dat daer de...
Een oudt liefhebber, sijn water afgeslagen hebbende, hadt sijn mes vergeten op te steken. Een oudt besje waerschouwde hem. R. 'Ja vrouwtje, hij mag er wel hangen, ick besig hem togh niet meer.'
Iemant gevraecht sijnde wat luyer was, een vrouw of een koe? Soo antwoorde hij: 'Een vrouw, want een koe draegt haer egen hoornen en een vrouw laet se door haer man draegen.'
Mevrouw De Groot, met de coningin van de religie discoureerende, soo vraegde Haer Majesteyt haer wat sij doch van Maria hielt. 'Ick houde haer', seyde sij, 'voor een heylige maegd.' 'Gelooft gij dan niet', vraegde de coninginne verder, 'dat sij een coninginne des hemels is?' 'Neen', antwoorde mevrouw De Groot, 'want ick geloove dat het coningrijck der...
Als men in geselschap sprack en snoefde, den eenen van 4, den anderen van 6,7, 8 à 10 mael op te sitten, riep er een lichtmis die in dien krijg een groot stuck van sijn capt. quijt geraeckt was: 'Haegenevelt, van opsitten, ick heb in mijn tijt tot Amsterdam etc.' R. 'Jawel, ick souw het op dese man sijn hand wel derven houden, want ick weet dat hij w.....