Organizations
Keywords

There are no Keywords that match this search

Danish Keywords

There are no Danish Keywords that match this search

Dutch Keywords
Show More Dutch Keywords
German Keywords

There are no German Keywords that match this search

Icelandic Keywords

There are no Icelandic Keywords that match this search

Place Mentioned

There are no Place Mentioned that match this search

Place of Narration
Show More Place of Narration
Narrator Gender

There are no Narrator Gender that match this search

close
97 datasets found
Dutch Keywords: gebruiken
Om die van Rijen te plagen gebruikt men de woordspeling Rijen is van de kar gevallen. (Sassen M62)
Iemant seyde dat het grootste geluck bestont in 't rechte gebruyck en niet in 't bewaeren der rijckdommen, want anders souden de schildwachten, die voor de cantooren en schatkamers staen, seer geluckig sijn.
Maar nou moet ik toch weer eens een roovergeschiedenis vertellen. Er was eens een kapitein die erg rijk was. Hij had uitgestrekte landerijen en wanneer hij nu van de reis thuis kwam, dan maakte hij altijd van zijn vacantie gebruik om de pacht te innen. Nu kon hij twee wegen gaan: in de eerste plaats langs een omweg en ten tweede langs een korteren weg,...
Lange mannen: In vroeger tijd, toen deze streek nog behoorde tot het hertogdom Gelder, werden hier jonge mannen geronseld voor het leger. De “wervers” hadden het speciaal gemunt op lange kerels, en waren weinig scrupuleus in hun handelwijze. Zij bezochten cafés, en lieten de jonge mannen drinken. Op een zeker moment kwam er een contract voor de dag, dat...
De ouwe Klarenbeek* uit de Vlist kon ok strijken. Op een dag gaat Teun de olieboer met paard en wagen de Vlist in. Dat paard werd onderweg mank. "Ik ruim 'm op", zegt Teun. De ouwe Klarenbeek zegt: "Doe dat niet. Voor je terug bin in Haastrecht is dat paard weer beter". Klarenbeek neemt z'n pet af en begint te bidden bij die poot. Daarna heb die d'r een...
Aant. 1942, fol. 37, toevoegen aan F1: ,,Truitje Overmeen-Wuite (zie documentatie §9/1942), die regelmatig contact zegt te hebben met kabouters, vertelt, dat zij, wanneer zij 's avonds in duister buiten loopt, een met ijzer beslagen wandelstok meeneemt. Het metaal, ijzer, houdt de kabouters op een afstand, wat nodig is, omdat de plaagzieke aardgeesten...
Keyser Lodewijck de Derde placht te seggen: 'In den oorloch moet men veel handen, maer weynigh hoofden gebruycken.'
Winneweer De Grunnegers binnen anliek rakkers; ze konden in Stad nooit zain, dat 't laand ook wat betaikende. In òl tieden hebben ze allerdeegs de klòkken oet 'n Daam hoald, nòg nait zo zeer omdat ze zulf gainent riek wazzen, mor omdat ze nait verdroagen konden, dat 'n aander ook ain haar. 1) Is nòg al wat aan, om mit man en macht oet zoo'n grode stad te...
Toovenaars. Ja, 't was een wonderlijke kerel. Je beleefde er zoowat van alles mee. Als de jonge jongers sleetje gingen rijden, gebruikten ze er 't liefst een boerensleeper voor. Kregen ze die niet, dan wist onze vriend een eenvoudig middel om in de goed gesloten schuur te komen, want sloten en grendels waren er niet voor hem. Hij blies tegen de deur van...
Rovers overvallen een benzinestation, binden de pompbediende vast en gaan er met de kas vandoor. Nu duurt het wel vierentwintig uur voor eindelijk een passerende automobilist de politie waarschuwt. Ondertussen hebben alle passanten van de gelegenheid gebruik gemaakt om gratis hun tank te vullen. (Paul Abbey (=Hans van den Bergh): Maori op klompen, 1980,...
In Sprundel ligt een paling aan een ketting Dit gezegde hoort men heden ten dage nog alleen bij oudere mensen uit Etten en omgeving. Dit gezegde zou vroeger gebruikt zijn als een soort scheldnaam van de Ettense bevolking tegenover die van Sprundel, waarmee zou aangeduid worden, dat men in Sprundel alleen beschikte over zeer slechte zandgrond, waar men...
Woenselsche bokken 'nnen Bok' is een stug, norsch, onvriendelijk mensch. 'Bok' is ook het scheldwoord voor iemand van de Gereformeerde geloofsbelijdenis: 'griffermeerden bok'. In den spotnaam van die' van Woensel zal het woord 'bok' wel in eerstbedoelde beteekenis gebruikt zijn. (Sassen M80)
De Peel Van de bewoners der Brabantsche Peel wordt gezegd: Ze verbranden hun eerd Ze eten hun peerd En slapen bij den voerman Zinspeling op de turf (klot genaamd) die de Peellanders branden, op de trekossen die ze in plaats van paarden gebruiken en op de boerinnen, die met de kar rijden. (Corn. III, 195) De hond loopt de Peel op. Er is huiselijke twist....
Zoo was er ook ers een stel eenvoudige mensche en deervan raakte de man an de diëree. Ze liete de dokter komme. "Hoor es," zai die, "der is denk ik niks an te doen, maar ik zel je poejers op schraive en die mot je skoontjes opgebroike. De volgende dag zelle we wel weer zien." De poejers kwamme en moeder de vrouw stopte poeder met papier en al in der mans...
Martens Bauk hie in nicht, dat wie Griet. Dy lake altyd sa. Der koe net hwat wêze, of hja bigoun der om to laitsjen. Jehannes sei: "Dat sil 'k har ris ôfleare." Doe soed er har de rokken ôfsakje litte. Hja moest se mei gewelt beethâlde, en har broek ek, hja koe 't hast net forhinderje. Hja die gau de bêdsdoarkes iepen. Hja is doe nuver op bêd rekke. Mar...
Een oudt liefhebber, sijn water afgeslagen hebbende, hadt sijn mes vergeten op te steken. Een oudt besje waerschouwde hem. R. 'Ja vrouwtje, hij mag er wel hangen, ick besig hem togh niet meer.'
In feint en in faem dy werkten by in boer. Se wienen oan 't ierpelsykjen. Doe fleach der in keppel fûgels oer. De faem sei tsjin 'e feint: "Hwat foar fûgels binne dat?" "Dat binne uiteldetuiten," sei de feint, "dy pikke de fammen de egen út." Dy feint hie al lang op 'e faem loerd. Hy woe graech ris hwat mei har útheve. Hy sei tsjin har: "Doch de rok mar...
Doe Sr. ..., die den orvietan in Den Hage verkogt, in tegenwoordigheyt van duysenden padden antimony etc. in quantiteyt innam om daerdoor de deugt van sijn orvietan te doen blijcken, seyde dr. Helvetius, die meest met chimische medicamenten besig is: 'Ja, ja, laet ick de vent maer half sooveel ingeven als hij nu neemt, ick wedt hij wel haest barsten sal.'...
6.6. Westerloo, 1597/1598 Jan Baxius, heksenjager van beroep, vond hier een onttoovenaar, den koster 'André (ou Ambroise)' Peter. Deze gaf den betooverde zes verzegelde briefjes, één om aan den hals te hangen en vijf, om in 't midden en de vier hoeken van den kelder zijner woning te begraven met een weinig aarde uit een versch gedolven graf (als de...
Als iemant over maeltijt iedereen liet sijne seyde door aerdige gelijckenissen, wasser onder een dame van dertich jaeren die sich al vrij wat hadde laten gebruycken, die hem vroeg wat gelijckenis hij op haer maeckte. R. 'Gij zijt, dunckt mij, als een ouden orgel daer veel pijpen in versleeten sijn.'