Organizations
Keywords

There are no Keywords that match this search

Danish Keywords

There are no Danish Keywords that match this search

Dutch Keywords
Show More Dutch Keywords
German Keywords

There are no German Keywords that match this search

Icelandic Keywords

There are no Icelandic Keywords that match this search

Place Mentioned

There are no Place Mentioned that match this search

Place of Narration
Narrator Gender

There are no Narrator Gender that match this search

close
25 datasets found
Dutch Keywords: boot Place of Narration: Den Haag
Een vent sat in de schuyt met een Gentenaer. In de schuyt hing een klijn touwtje, daer dese juyst geduyrig mede speelde. R. 'Met verlof, mijnheer, waer zijn ghij vandaen?' R. 'Van Gent, om u te dienen.' R. 'Dat sag ik wel aen al uw handeling.' R. 'Dat soudt ghij mij te Gent niet durven seggen. R. 'Niet? Ick wedd' om 100 pond, dat ik op toekoomende...
De heer Frans Meerman sat in de Delfse schuyt, daer Goethals sig beklaegde over het ongelijck dat hem de heeren gedaen hadden, aengaende dat sij hem er reden hadden gestelt over sekere sijne predicatie, daerin hij den staet van regeeringe hadde berispt. R. 'Daer hebben de heeren gelijck in, dominee Goethals.' R. 'Men moet er evenwel oock in spreecken, het...
In de Leydse schuyt raakte een oud man met een vrou, die tegensover hem zat, in discours. Onder andere ontviel hem dat hij in geen tien jaaren in de kerck was geweest, waarover sij zeer geërgert wierd en hem hondert schampere verwijten daarover deed. Hierop komt Boudewijn, des schippers knegt, in de schuyt om vragt t' ontvangen. 'Hoe ben je zo gestoort,...
Seecker man stack 100 gulden bij sich, met meeninge om een groote moolesteen te gaen kopen. Hij ging tegens den avont uyt ende na 2 uyren gaens ter plaetse gekomen zijnde daer hij wesen wilde, sach hij dat al de luyden al te bedde waeren en meteen oock datter een schoone moolesteen op een schouwtje lag. De occasie soo dienstigh siende, wierdt te rade de...
Boudewijn, de schipper, met iemant in woorden raeckende, seyde 'tgeen hij te seggen hadde aen sijn parteij heel sacht en bedaert, die daerover hevich uytvoer en seyde: 'Je bent een fielt.' 'Dat is niet waer', seyde Boudewijn, waerop d' ander antwoorde: 'Ick sal 't u bewijsen', maer Boudewijn seyde: 'Ick begeere het niet bewesen te hebben.'
Een snaeck, in een treckschuyt na Den Hage nevens een groten kakelaer sittende, sag een luys op sijn mantel lopen. Hij hield sigh dan eens of hij stillekens wat van sijn mantel afnam, dan afschudde, dan afveegde (sonder evenwel de luys aen te raeken). R. 'Wat duyvel kaerel schort u met uw overtollige beleeftheyt, meent ghij dat ick luysen heb?' 'Neen,...
Van al de zeeluy is er geen die soo seker op sijn poolster aenseylt, als de strontbeeren op haer kaersje, dat sij op het boort van haer schuyt setten, aengaen. De jongens, die dit niet onbekent is, hadden eens, terwijl sij besig en heen gegaen waeren om weer te laeden, het kaersje op het uytterste boort geplant. De vrienden quamen met de bruyd wedereom en...
De Vrouw van Steeland had midden door haar land een watering loopen, waardoor de boeren gedurig met haare schuyten voeren. Sij willende beletten, sloot die passage met een boom toe. De boeren komen daartegens in oppositi en bewesen dat dit een servitut van over lange jaren was. Welboore mannen condemneren de Vrouw van Steeland dat sij in 't toekomende...
In een groot onweer op zee, terwijl elckeen badt, liep een seecker man na het eeten en at schrickelijck veel gesoute vleesch. Als hij daerover seer berispt wiert, soo seyde hij: 'Dat doen ick omdat er een dronck op smaken soude, want ick sal lichtelijck sooveel vandaegh moeten drincken,als ick van mijn leven gedaen hebbe.'
Een Mennist, schipper zijnde op een kleyn scheepjen, quam een Engelsch kitsje tegen dat oock maer 12 mannen op hadt. Daermede in woorden raeckende, goyde den Engelsman (bij gebreck van ander geweer) dapper met brandthout. De Mennist, oock niet luy zijnde, smeet braef wederom. Als hem yemandt vraegde of hij dat volgens sijn religie wel vermogt te doen,...
Eén in de schuyt sittende, hoorde de schipper boven op de schuyt gins en weder wandelen, en alsoo het laet was, seyde hij: 'Schipper, of gij er eer waert als wij, segt dat sij de poort noch wat openhouden.'
Seecker coopman, reeder in een schip sijnde 'twelck naer West-Indien gaen soude, schreef aen de schipper dat hij hem 2 a 3 apen mee sou brengen. De schipper las voor de 'a' een nul (0), dat was 203 aepen en brocht hem 178 mede, hem excuseerende dat hij der geen meer hadt bekomen konnen. Se hadden sijn heel schip schier afgeloopen, klommen op de masten en...
Boudewijns schipper viel uyt de schuyt. Boudewijn voer voort, roepende aen de Delfsche schuyt die hem volgde: 'Mijn meester leyt daer in 't water.' Sijn meester door haer hulp daeruyt geraeekt sijnde, begon op Boudewijn duysent lasterwoorden te seggen omdat hij voorbij was gevaeren. Boudewijn seyde: 'Wel, meester, soude ik niet voort vaeren, de heele...
Een bootgesel brag den prins van Oragniën een schoonen rock, die hij eenen Spagniaert in een zeestrijt uytgetrocken hadt. De prins vraegde waer de man van die rock was. 'Die heb ick overboort gebruyt', seyde hij, 'omdat er geen quade kieckens van souden comen.'
Als men bij seeckeren storm een ieder geboot sijn swaerste pack buyten boort te werpen, soo wierp iemant sijn vrouw overboort. Gevraegt waerom hij dat dede: 'Omdat ick geen swaerder heb', seyde hij.
Een oudt besje nae Den Haag willende m eenig goet, 'tgeen sij van nooden hadt te coopen, dewijl 't daer kermis was en dienvolgens in de schuyt veel gelt bij haer hebbende, gebeurde het dan een gauwdief, die naest haer sijde sat, daer gadinge in maeckte. Hij maeckt een familiaer praetjen met haer, noemde haer altijt bestemoer, soodat de lieden meenden het...
In seeckere treckschuyt, daer een vaeckerig man met een partij schaepen en een ram in was, gebeurde het dat de man slapende en voorover knickebollende tegen den ram [viel]. Den ram meenende dat hij vechten wilde, neemt sijn volle loop en stoot hem een groot gat in 't hooft. De man, verbaest wacker wordende en sich daerover willende wreecken, smijt den ram...
Juffrouw Van Daelen, een fameus hoertjen, hadde sigh getransporteert naer Uijtrecht, vanwaer sij een brief schreef aen den capitein Jacob Aerssen, daer onder anderen instont, dat se hem op sulcken dagh in haer huys soude verwagten en dat hij niet sou schromen te komen, alsoo sij heel wel gelogeert was en heerlijk onderhouden wiert, ja, dat sij nu wel 6...
Iemant die in onweer op zee was, badt St. Nicolaes, hem belovende, soo hij behoud te lant quam, te geven een wassche keers soo groot als de mast was. Als d'andere seyden dat hij sooveel in de werelt niet hadt om die te kunnen betalen: 'Houdt uw backhuys', seyde hij, 'was ick maer te lant, ick soude St. Nicolaes niet een bruy geven.'
Een schipper, dien sijn schip om schult vercogt wiert, hoorde de coopvoorwaerde leesen, daer in stont: 'Schipper Claes Dirkse wil vercoopen sijn schip met etc.' Waerop hij seyde: 'Niet willen maer wel moeten, mijnheren.'
28