Organizations
Keywords
There are no Keywords that match this search
Danish Keywords
There are no Danish Keywords that match this search
Dutch Keywords
Show More Dutch Keywords
German Keywords
There are no German Keywords that match this search
Icelandic Keywords
There are no Icelandic Keywords that match this search
Place Mentioned
There are no Place Mentioned that match this search
Place of Narration
Narrator Gender
There are no Narrator Gender that match this search
Een Portugeesch, een Spagniaert lang beschimpende, seyde onder andere bitsige redenen: 'Onse coningh heeft het beeltenis des conincx van Castiliën in sijn secreet opgehangen, wat dunckt u daervan?' 'Mij dunckt', antwoorde de Spagniaert, 'dat uwen coningh, soo hij hart van lijf is, buytenmaten wel doet, want sijn oogen op onse conings schildereij slaende,...
Keyser Verspasianus hadt een bang wesen en sach er altijt uyt of hij druckte. Iemant eens aen sijn tafel sittende, gaf al de heeren daer present een steeck, den keyser om sijn majesteyt overslaende. De keyser seyde: 'Gij vergeet mij, wanneer sal ick een beurt krijgen?' 'Soo ras, heer keyser', antwoorde hij, 'als gij gekackt hebt.'
Een voerman met een kar vol hout, riep al: 'Guarde, guarde.' Een edelman daer voorbij komende, wilde uyt grootsheyt niet wijcken. De voerman rede hem op het lijf en quetste hem. De edelman ontboodt hem voor recht. De goede man, seer hier over beteutert, wiert geraden dat hij sich stom soude houden, 'twelck hij dede. Wat dat de edelman klaegde, op het lest...
Den Haag
Een vent in de hel geraeckt sijnde ende gereet om te gepijnigt te worden leyde al de schuld op sijn vrouw, dat hij er 5 of 6 om hals hadde gebragt, dat hij valsche munt hadde geslaegen etc., sijn vrouw wasser oorsaeck van. R. 'Wel, souw een vrouw dan sulcken quaden ding zijn?' R. 'Ghij sult het soo bevinden en houdt mij vrij soolang in beslooten...
Den Haag
Een paep vraegde een kleyn meysjen of het oock in het bedt piste. Het kint seyde: 'Ja.' 'Gij moet dat niet meer doen', seyde de paep, 'want kinders die in 't bedt pissen, die eet ick op.' 'Och neen, pater', antwoorde het kint, 'eet mij niet, maer ick hebbe een kleyn broertjen dat kackt alle nacht in sijn bedt, eet dat.'
Me vader vertelde veel van die verhale. Maar 't meeste is me ontschote. Ik weet wel, dat je op 't Westeinde in Wijngaarden een soort van een spookhuis had. Ik heb wel is gehoord, dat ze d'r met paard en wage in 't water reje. Of ze liepe van de dijk. Ze ware bang om op 't Westeinde te komme.
Seecker jongman alleen sijnde onder een deel juffrouen, soo seyde een getrout man tegens hem: 'Wel, sijt gij niet bang onder sooveel juffrouen alleen te sijn? Sij mochten u onder haer rocken steecken.' 'Soo soude ick haer weder onder haer rocken steecken.'
Lammert, de schipper op Utrecht, dat anders een stout stuck vleysch is. quam tot een snaeck van een barbier die een skeleton hadde, daer hij Lambert op het onvoorsienste tegen aendouwde, maer als hij sag dat hem dat niet vervaerde, voelde hij sels quansuys eens aen de tanden. 'Y, gut Lambert', seyde hij. die vent moet scharpe tanden gehadt hebben.' Met...
De geschiedenis van Oud-Bovetje Daar was reis geweest een Oud-Bovetje. Hij had veel kindertjes. Daar moest hij op passen. Hij was erg bang voor den wolf en de kindertjes waren er ook heel bang voor. Op een dag moest Oud-Bovetje noodzakelijk uit en hij was erg bang, dat, terwijl hij weg was, de wolf bij de kindertjes zou komen en die op zou eten, want de...
Gillis hadde ecn schoon paerdt in 't oog, maer anders luy als een hond. Michiel die het hem afkocht, vroeg of het geen fouten hadde? R. 'Sonderling niet als dat het bang is voor twee sporen.' R. 'Tut, tut, dat is niet.' Hij ree daermede ongespoort nae buyten, maer hij moest wel haest weer binnen komen omdat hij sijn hond met geen geweldt kost voort...
Van Oud-Bovetje. Er was eens een Oud-Bovetje, die een heelen boel kindertjes had. Een heette Joopie, een ander Jaapie, en een derde Saartje; er was een Jantje en een Pietje, een Ahasverusje, een Colombijntje, een Betje, een Zwaantje, en nog veel meer van dat goedje. Oud-Bovetje was erg bang dat zijn kindertjes door den wolf opgegeten zouden worden en...
Een die onthalst soude werden, versocht om de galg, omdat hij vreesde qualijck te sullen werden als hij sijn bloet sach.
Juffrou Schrevelius wiert bij een buyrvrou, die op sterven lach, gehaelt ende als 't eynt met haer naderde, riepen eenige wijven: 'Daer komt de doot, daer komt de doot.' Haer dochtertje, dat met haer gegaen was, liep te post wech. Haer moeder, thuys gekomen sijnde bekeef haer dat se soo onbeschoft was doorgeloopen. 'Och moeder', seyde sij, 'elck een riep...
Iemant, getrouwt sijnde meteen lelijck, out, boos wijf kreeg 's nachts een spoock voor sijn bedde dat hem van angst in 't bedde dee dryten. Hij nam echter op 't leste een heldenmoet en sprong uyt de pluymen met dese aenspraeck: 'Och geest, sijt gij een goede geest, soo sult gij mij geen quaet doen en sijt gij een quaede geest soo bidde ick u op ons lief...
Als er voor Thienen in een hoeck van 't leger sterck gevochten [wiert], wiert een officier gecommandeert sich mede derwaerts te begeven, hetwelcke alsoo hij sochte t' ontgaen, soo bestrafte hem de hooftofficier seggende: 'Hoe, sijt gij bang? Die niet veeg is, sal niet sterven.' 'Ja maer,' seyde d'ander, 'ginder maeckt men se veeg.'
Een silvere lepel eens vermist sijnde ende den hospes, niet konnende daerachter komen, leyde een stock overdwers in een andere, donckere kamer omtrent een mans hoogte hoog, die hij den gasten, soo als hij lag, eerst liet sien en versocht haer dat sij daer stuck voor stuck, als hij het haer gebieden soude, onderdeur souden gaen ende de handen in het...
Iemant seyde tegen Gijsbert van Hoogenhoeck dat er noch een kint drie of vier gecomen was boven de thien die daer tot uwent sijn. 'Sout gij niet machtigh bang gesien hebben?' 'Neen, seyde hij, 'al waerender noch hondert gecomen, want ons huys is toch bedurven.'
Den Haag
Een ruygen apostel raeckte op see in peryckel van schipbreuk. Elck viel aen 't bidden. Hij oock en riep vast: 'O Heer, denck om mijn armen hontsvot, o wee mijn armen hontsvot. Och verhoor mij doch, Heer. Ick ben immers van die janckers niet die u daegelijcx moe maecken etc. Och verhoort mij dan nu.'
Zoo leefde er een bijzondere luije man die wat ze ook met hem probeerde[n] of deden of wat ze hem ook beloofden, hij wilde volstrekt maar niet werken. Totdat op het lange lesten besloten werd om op het dak te klimmen en door den schoorsteen van boven naar beneden te roepen "Abram Abram, gij zult werken". Hiervan was hij zoo ontsteld dat hij terug riep "Ja...
